waarom nu pas?

~31/10/2009

 Voor het eerst geconfronteerd met de vraag, waarom nu pas, had ik geen pasklaar antwoord. En ging de vraag over schrijven of publiceren?  Want  het gepuzzel met zinnen en woorden, de drang om  gebeurtenissen en verhalen neer te pennen, zat er bij mij van jongs af in.  Zo was het opstel, als een jaarlijks weerkerend ritueel met de eveneens jaarlijks weerkerende titel 'mijn vakantie’, in het begin van het nieuwe schooljaar, in de nog kale klas door de  nieuwe juf opgelegd, bij mij ten laatste af op 1 augustus. Mijn vakantie beperkte zich immers tot op straat spelen of me vervelen. Bij gebrek aan beter, amuseerde ik me dan maar met pen en papier. ‘Zeewater is zout, zeggen ze’ refereert trouwens naar het nooit op reis vertrekken.

Ik probeerde enkele factoren bij elkaar te sprokkelen, maar of die  in rekening konden gebracht worden, dat was alweer een vraag op zich. Was het de naoorlogse babyboomgeneratie, waartoe ik behoor? Mij werd ingeprent op mijn onafhankelijkheid te staan, in staat te zijn mijn eigen boterham te verdienen. Stond aldus, naast een gezin, de voltijdse baan in de weg? En een intens  sociaal leven, evenmin  bevorderlijk  voor mijn potentiële auteurschap? Geldige  argumenten voor het grote uitstel? Natuurlijk niet. Louter uitvluchten. Wie de aanvechting naar wat dan ook in zich draagt zal die dorst naar...  hoe dan ook proberen te verwerkelijken.

En er was ook mijn ingebakken nuchterheid, die me influisterde: gedrevenheid is geen garantie voor talent of aanleg. En wat, als je tot de categorie ‘geniaal maar met te korte beentjes’ blijkt te behoren? Je leven om zeep voor stapels volgepende en volgetikte door geen mens gelezen vellen papier. Neem het zekere voor het onzekere. Heeft dit meegespeeld?

En soms denk ik, dat er twee naturen in me zaten: één die de weg van het alledaagse bewandelde en één die heimelijk tegendraads maar slaafs volgde, tot natuur één van lieverlede aan natuur twee het signaal gaf, de jarenlange opgepotte schrijflust finaal de vrije loop te laten, in de overweging dat mijn thema’s nu genoeg hadden gegist en wetend dat het bloed uiteindelijk toch kruipt  waar het niet gaan kan.

Of was het mijn verborgen hartenwens, ooit te beleven, wat me nu  is overkomen, een literaire prijs winnen, de drijfveer? De heimelijke hoogmoed me te willen onderscheiden? Eerzucht die ik als een chronische ziekte meesleepte? Mag ik het antwoord schuldig blijven?